|
Investeringen stimuleren in een concurrentieel kader
De bouwsector is een belangrijke economische actor, goed voor meer dan 5% van het BBP, exclusief belastingen, en draagt bij tot de ontwikkeling van tal van aanverwante activiteiten in de productie, distributie en diensten. Hij was de afgelopen jaren overigens de echte stuwende kracht voor de algemene economische groei, aangezien hij veel sterkere prestaties heeft neergezet dan de rest van de economie. Door tijdens de voorbije regeerperiode 20.000 banen te scheppen, heeft de bouw bovendien opnieuw laten zien dat hij op een fantastische manier groei in werkgelegenheid kan omzetten.
Deze resultaten mogen echter niet een andere realiteit verhullen: de enorme bouwnoden waaraan men vandaag nog niet voldoet, bij gebrek aan voldoende overheidsinvesteringen.
Op een moment waarop de conjunctuur duidelijke tekens van terugval vertoont in verschillende segmenten van de bouwactiviteit is het meer dan ooit noodzakelijk erop te wijzen hoe belangrijk het voor ons land is om te beschikken over een echt herstelbeleid voor de investeringen, terwijl tegelijk de inspanningen om het concurrentievermogen van de ondernemingen op te krikken moeten worden voortgezet.
Het herstelbeleid moet drie doelstellingen nastreven:
- Groei van de overheidsinvesteringen in infrastructuur;
- Steun aan privéinvesteringen in energiebesparingen;
- Vrijwaring van het concurrentievermogen van de ondernemingen.
1. Overheidsinvesteringen in infrastructuur
De overheidsinvesteringen in België blijven al bijna 20 jaar beneden de grens van 2% van het BBP, terwijl ze in het begin van de jaren tachtig nog voor meer dan 4% goed waren.

Het lage volume overheidsinvesteringen in België maakt het niet meer mogelijk in te staan voor het verwezenlijken van nieuwe projecten terwijl tegelijk het bestaande infrastructuur- en gebouwenpark moet worden onderhouden. De Nationale Bank heeft hier al geregeld op gewezen. Gevolg hiervan is dat een niet te verwaarlozen deel van de bestaande infrastructuur en overheidsgebouwen onverbiddelijk in verval raakt.
Dit is onder meer het geval bij de vervoersinfrastructuur die voor haar onderhoud en ontwikkeling maar recht heeft op middelen die lager liggen dan 1% van het BBP.
Welnu, de vervoersinfrastructuur speelt een uiterst belangrijke rol bij het ontwikkelen van prioritaire economische activiteiten, zoals logistiek. De centrale ligging van België, zijn uitstekende haveninfrastructuur en zijn uitgebreid wegennet maken van het land een heel belangrijk logistiek centrum in Europa. Dit potentieel behouden is geen verworven zaak, want de concurrentie is hard, in het bijzonder in de buurlanden, die meer in vervoersinfrastructuur investeren. De concurrentie tussen de Europese havens zal in de toekomst alleen maar toenemen. Onder meer met het openen, vanaf 2013, van de Schelde-Seineverbinding waardoor het Seinebekken, het Scheldebekken en het Rijnbekken met elkaar verbonden kunnen worden.
Om het concurrentievermogen van ons land te vrijwaren is het dan ook van wezenlijk belang om het volume van de Belgische overheidsinvesteringen op te krikken en op middellange termijn een volume investeringen te bereiken dat te vergelijken valt met dat van landen zoals Frankrijk en Nederland (3,2% van het BBP).

Deze verhoging van de overheidsinvesteringen zal het mogelijk maken aan infrastructuurwerken te beginnen, om onder meer de havens beter bereikbaar te maken, het wegennet uit te breiden en het gebruik ervan te verbeteren, door het aanleggen van ontbrekende schakels, en het spoornet meer capaciteit te geven, om een bruikbaar transportalternatief aan te bieden en milieuoverlast terug te dringen. Daarnaast kunnen hiermee de nodige inrichtingswerken gebeuren om het waterwegennet volop te gebruiken en tot slot alle vormen van intermodaliteit tussen de verschillende transportmiddelen te promoten.
Natuurlijk moet men de financiële middelen vrijmaken die nodig zijn om de investeringen weer op gang te brengen. De overheden moeten hiertoe meer middelen besteden aan het investeringsbeleid, de prioriteiten voor de acties herbekijken en investeringen op lange termijn plannen, waarbij cycli van lokale verkiezingen worden vermeden.
Men dient overigens:
- Aanvullende inkomsten te genereren, bijvoorbeeld via het invoeren van een autowegenvignet, en deze inkomsten te besteden aan het onderhoud en de uitbreiding van het wegennet.
- Meer een beroep te doen op publiek-private samenwerkingsverbanden, onder voorwaarden die alle partners tevredenstellen, en met naleving van de regels inzake transparantie, gelijke behandeling en bescherming van de inschrijvers, die voor overheidsopdrachten gelden.
2. Energiebesparende investeringen
De jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen in België is verantwoordelijk voor het equivalent van 147,9 miljoen ton CO2 (cijfer van 2004), dit is ongeveer 14,2 ton per inwoner en per jaar, hoofdzakelijk in de vorm van CO2 uitgestoten bij het verbranden van brandstoffen (circa 80%).
De industrie, de gebouwen, hoofdzakelijk woningen, en het vervoer zijn, in orde van belangrijkheid, de drie belangrijkste uitstoters van CO2.
Slechte isolatie is, samen met de gebruikte verwarmingswijze, een van de belangrijkste oorzaken van CO2-uitstoot in de lucht, afkomstig van gebouwen.
De sociaal-economische enquête van 2001 bracht in België tal van gebreken in woningisolatie aan het licht en bijgevolg het grote potentieel van woningen in termen van energiebesparingen.

Het verhogen van de energieprestaties van woningen en bedrijfsgebouwen is onvermijdelijk voor de komende jaren een reusachtige uitdaging.
De uitdagingen zijn des te dwingender daar de Europese Commissie terecht overweegt om de Kyotodoelstelling te overschrijden en te streven naar het verminderen van broeikasgassen met 20% tegen 2020. Wetenschappers van hun kant vinden het nodig om tegen 2050 deze uitstoot met 50 tot 80% te verminderen.
In deze context is het duidelijk dat de lat inzake energieprestaties hoog moet worden gelegd en dat de naleving van de normen daadwerkelijk moet worden gecontroleerd. Het concept van het passiefhuis, en zelfs dat van de energiepositieve woning, moeten overigens geleidelijk aan verplicht worden.
De overheid moet het voorbeeld geven door hoge energieprestatiecriteria op te nemen in de bestekken voor werken aan haar eigen gebouwen.
Zij moet ook een beleid hanteren dat investeringen van particulieren ondersteunt.
In dit verband stelt de Confederatie voor de bestaande fiscale maatregelen te herbekijken en aan te vullen als volgt:
- De fiscale aftrek uitbreiden tot andere werken die een energiebesparend effect hebben dan die welke op dit moment op de lijst van de bedoelde werken staan, en tot andere belastingplichtigen dan de particulieren, in casu zelfstandigen en bedrijven.
- Het plafond van de belastingaftrek verhogen (€ 2.600 in 2007). Dit plafond is te laag en moet vanaf 2008 op een bedrag van € 5.200 worden gebracht.
- De belastingaftrek spreiden in de tijd voor investeringen groter dan het bedrag dat recht geeft op de maximale jaarlijkse belastingaftrek. In die omstandigheden moet de factuur van de werken een belastingvermindering kunnen opleveren van bijvoorbeeld 60% van het bedrag van de werken, gespreid over een periode van 5 jaar.
- Een nieuwe regeling uitwerken om de bouw van passiefhuizen aan te moedigen. Het passiefhuis moet als toekomstige modelwoning worden gepromoot. De recente initiatieven van de wetgever gaan in de goede richting, maar zij moedigen onvoldoende aan. De vraag of een nultarief voor de BTW kan worden gehanteerd voor dit soort investeringen moet op Europees vlak gesteld en besproken worden.
Het zou overigens nuttig kunnen zijn om een systeem van “derde betaler” toe te passen. In een dergelijk systeem zou de aannemer de prijs van de werken kunnen factureren, met aftrek van het bedrag van alle federale, gewestelijke en andere steun waarop de opdrachtgever recht heeft, en zou hij dadelijk de terugbetaling van die steun verkrijgen via een specifiek op te richten interventiefonds.
Behalve de heel belangrijke doelstelling van milieubescherming en behoud van het klimaat is het verhogen van de energieprestaties van gebouwen ook een grote markt, die niet enkel de bouweconomie, maar ook de algemene economische groei zal ondersteunen.
Elk miljoen aan uitgevoerde werken zal de creatie van 18 extra banen met zich meebrengen, waarvan twee derde in de bouwondernemingen.
3. Vrijwaring van het concurrentievermogen van de ondernemingen.
De bouw heeft in 2006 zowat 9.000 extra banen gecreëerd, waarvan ongeveer 7.500 bij de arbeiders. Dit is goed voor 15% van de totale jobcreatie. Deze prestatie is des te opmerkelijker omdat de bouw maar goed is voor 5,8% van de totale werkgelegenheid of 7,1% van de werkgelegenheid in de privésector.
De prestatie is gelijk over een langere periode, aangezien de werkgelegenheid in de bouw sinds halfweg 2003 met 14.600 eenheden is toegenomen. De sector telt vandaag meer dan 250.000 werkenden, van wie meer dan 200.000 loontrekkenden, een werkgelegenheidspeil dat sinds 25 jaar niet meer werd gehaald.
Als we rekening houden met de indirecte werkgelegenheid die tot stand werd gebracht in aanverwante sectoren1, dan heeft de “bedrijfskolom bouw” meer dan de 20.000 banen gecreëerd waartoe hij zich had verbonden tegenover de politieke wereld in 20042.

Deze vaststelling bevestigt, indien dat nodig mocht blijken, het jobcreatiepotentieel in de bouw, zodra de voorwaarden voor economische groei vervuld zijn.
Wanneer zij niet meer volledig vervuld zijn, moeten de ondernemingen, meer dan ooit, kunnen rekenen op aangepaste maatregelen om hun concurrentievermogen te vrijwaren. Een van de essentiële factoren daarvan is de beheersing van de loonkosten.
Tijdens de recente sociale onderhandelingen hebben de sociale partners van de bouwsector zich nogmaals achter de doelstelling van loonmatiging geschaard, hierbij ondersteund door de norm uit het interprofessioneel akkoord. De loonsverhogingen die in 2007 en 2008 worden toegestaan, zullen niet hoger liggen dan 5% en het sectorale all-inmechanisme zal garanderen dat deze groeivoet wordt gehanteerd, ook al ligt de inflatie hoger dan voorzien, aangezien de automatische loonindexering in dit geval kan worden geblokkeerd.
De overheid moet van haar kant werken aan de hefbomen van het concurrentievermogen die onder haar bevoegdheid vallen. In dat verband pleit de Confederatie voor de volgende maatregelen:
- De belastinghervorming voortzetten om de kloof tussen werkgeverskosten en nettoloon van de werknemer te verkleinen, onder meer voor de middelgrote inkomens.
- Het lastenverlagingsbeleid dat sinds enkele jaren wordt gevoerd efficiënter maken. Het totale bedrag van de lastenverlaging voor de factor arbeid zal aan het einde van het jaar meer dan 7 miljard euro bedragen; dit is bijna drie keer meer dan het bedrag van de verminderingen toegekend in 2000. Wat natuurlijk niet slecht is. Maar de voorwaarden waaronder dit manna wordt uitgekeerd, moeten herzien worden om voorrang te geven aan algemene en structurele verminderingen ten nadele van gerichte en voorwaardelijke verminderingen. Deze aanpak is noodzakelijk om in de zeer arbeidsintensieve sectoren de last op de factor arbeid aanzienlijk te verlagen.
- Nadenken over het eventueel toepassen van een andere berekeningswijze voor de sociale bijdragen, onder meer forfaitair, wat minder nadelig uitvalt voor de factor arbeid als een zekere arbeidsduur op jaarbasis wordt overschreden.
- De CO2-bijdrage op bedrijfsvoertuigen voor het collectief vervoer van werknemers afschaffen. Deze bijdrage, die kan gerechtvaardigd zijn voor dienstvoertuigen die de ondernemingen aan hun personeel ter beschikking stellen, is volkomen onrechtvaardig en contraproductief wanneer zij wordt toegepast op voertuigen, vaak bestelwagens of minibusjes, die de ondernemingen gebruiken om hun personeel naar bouwplaatsen te vervoeren. De sancties, in de vorm van boetes die totaal buiten verhouding staan, moeten overigens worden verminderd.
1 |
Twee extra banen in de bouw scheppen een derde in de verbonden sectoren. |
2 |
Oproep van Synergie Bouw van 18.02.04 om investeringen en werkgelegenheid in de bouw te doen toenemen. Synergie Bouw verenigt de vertegenwoordigers van de aannemers (Confederatie), de Bouwmaterialenproducenten (BMP) en de handelaars in bouwmaterialen (FEMA). |
Voor meer informatie:
|