Contact pers:
Véronique Vanderbruggen · Directeur Communicatie
T 02 545 56 26 · M 0477 36 09 44 · F 02 545 57 48
veronique.vanderbruggen@confederatiebouw.be
PERSBERICHT · 10 juni 2008
Bouwkosten
Een gecontroleerde evolutie maar onderhevig aan onverwachte externe ongunstige ontwikkelingen

Het weer opflakkeren van de inflatie die de Europese economieën treft, en meer in het bijzonder de Belgische economie, heeft onder andere tot gevolg producten uit te sluiten waarvan de prijzen een bovengemiddelde evolutie doormaken.

Dit is het geval in de bouw, waar sinds het begin van het decennium de kosten twee keer sneller stegen dan het gemiddelde. In de periode 2000-2007 zijn de index van de consumptieprijzen en de Abex-index van de bouwkosten immers respectievelijk met 15% en 30% toegenomen.

Meteen moeten we erop wijzen dat deze toename niet het gevolg is van een "oververhitting" die de bedrijven ertoe zou gebracht hebben te overdrijven met hun winstmarges om extra winst te maken.

Ook al presteert de bouw al 5 jaar beter dan de algemene economie, toch wordt de financiële toestand van de sector, die gezond is, gekenmerkt door een lagere marge dan het gemiddelde.

De prijsstijgingen in de bouw hebben dan ook een andere oorsprong. Die oorzaak ligt buiten de sector en is heel duidelijk afkomstig van de toenemende mate-riaalkosten, waarbij de toename van de loonkosten van zijn kant volkomen onder controle is gebleven door in het bijzonder het all-inmechanisme in de sectorale loonovereenkomsten toe te passen.

1. Prijsontwikkeling van de bouwmaterialen

De prijzen van bouwmaterialen zijn, na een eerste periode waarin ze sterk toena-men (vanaf 2004), relatief stabiel gebleven in de periode tussen eind 2006 en eind 2007. Hierdoor stegen de bouwkosten minder snel dan de inflatie (+ 2,6% tegen-over 2,9%).

De toestand verslechterde echter opnieuw in het eerste semester van dit jaar. De wereldwijde stijging van de grondstoffenprijzen, tegelijk plots en uitgesproken, kwam bovenop de stijgende energieprijzen. Dit heeft de inflatie versneld, maar ook het indexcijfer van de afzetprijzen en meer in het bijzonder de prijsontwikkeling van de bouwmaterialen en dus, bijgevolg, de bouwprijzen.

Het opvallendste voorbeeld is zeker dat van het betonijzer, waarvan de prijzen met 40% toenamen tussen december 2007 en april 2008, ten gevolge van de stijgende prijs voor schroot dat voor de fabricage ervan dient. Er zijn nog andere even overtuigende voorbeelden: de cementsoorten en de producten van beton, om alleen die maar te noemen, stijgen ook sterk in prijs.

We dienen te beklemtonen dat deze evoluties gelukkig geen proportionele stijging van de bouwkosten meebrengen. De materialen, en a fortiori elk materiaal indivi-dueel, vertegenwoordigen immers maar een deel van de aannemerskosten. Bovendien is de aannemer constant verplicht om een middel te vinden om zijn kosten te dekken en tegelijk een aantrekkelijke, concurrentiële offerte te behouden. Dus moet hij soms een gedeelte van de stijging voor zijn rekening nemen en deze extra last compenseren door meer efficiëntie op andere gebieden of kiezen voor andere materialen die concurrentiëler zijn geworden.

Dat neemt niet weg dat de aannemer die onder sterke prijsstijgingen lijdt deze stijging moet kunnen doorrekenen aan de eindklant, in het bijzonder bij lopende contracten en in gevallen waarin de betrokken materialen een groot aandeel van zijn kostprijs uitmaken. Anders wordt deze aannemer met heel zware moeilijkheden geconfronteerd.

Overheidsopdrachten en private opdrachten

De overheid kent dit probleem en brengt er begrip voor op. De algemene aan-nemingsvoorwaarden bevatten dan ook een beding dat aan de aannemer de toe-lating geeft, om onder bepaalde voorwaarden, een herziening van de overeen-komst te vragen om herstel te verkrijgen van het nadeel dat dergelijke prijsstijgingen hem berokkenen.

Het nadeel moet echter belangrijk zijn. Dit veronderstelt telkens een evaluatie van de individuele situaties. De Confederatie Bouw heeft aan de federale regering ge-vraagd om de openbare opdrachtgevers in te lichten dat de prijsontwikkeling van staal de aannemers wel degelijk een belangrijk nadeel kan berokkenen en deze opdrachtgevers dan ook te verzoeken een gunstig gevolg te geven aan aanvragen van schadeloosstelling die de aannemers hen zullen bezorgen.

De private opdrachtgevers zouden ook het voorbeeld van de overheid moeten vol-gen, aangezien de sleutel om een werf te doen slagen, en, meer nog, de klanten-tevredenheid te waarborgen, in de eerste plaats een evenwichtige financiële relatie is.

Nuttige preciseringen

Het optreden van een belangrijk nadeel verbonden aan een stijging van de staal-kosten treft de meeste lopende contracten niet. En ook de stijging van de bouw-kosten (30% sinds 2000 volgens de Associatie van Belgische Experten) geldt niet voor alle bouwwerken. De kosten voor werken waarbij maar een verwaarloosbaar klein deel materialen nodig is, zijn dan ook niet met dezelfde verhoudingen gestegen.

De vaststelling van de Associatie van Belgische Experten is vooral relevant bij het bouwen van een nieuwe woning, maar je moet deze vaststelling toch opnieuw in een breder perspectief plaatsen dat ook de evoluties op de vastgoedmarkt omvat. Dat is namelijk het andere alternatief voor de kandidaat-eigenaar.

Er blijkt dan ook dat de concurrentiepositie van de nieuwbouw, vergeleken met de aankoop van een bestaande woning, de afgelopen jaren is verbeterd, ondanks een prijsstijging die hoger ligt dan de inflatie. De kostprijs van een bestaande woning is over de periode 2000-2007 inderdaad bijna verdubbeld en is twee keer sneller gestegen dan de kostprijs voor een nieuwe woning, inclusief grond.

Tot slot moet men ook rekening houden met het vermogen van de gezinnen om een nieuwbouwwoning te financieren en in het bijzonder met de leencapaciteit (gelet op de inflatie en het goedkoper worden van de hypothecaire leningen): +35% voor een lening op 20 jaar en met meer dan 50% voor een terugbetalingsperiode tot 25 jaar.

2. Loonkostenontwikkeling

Loonmatiging en verlaging van de sectorale lasten

Door de in 2007 en 2008 toegestane loonsverhogingen op 5% vast te leggen, heb-ben de sociale partners van de bouwsector zich nogmaals achter de doelstelling van loonmatiging geschaard, hierbij ondersteund door het interprofessioneel ak-koord. Zij hebben ook de toepassing behouden van de correctieformule voor even-tuele overschrijdingen van de norm (all-informule), die zij aan het begin van het decennium hadden goedgekeurd.

Het toepassen van deze all-informule zal, nu de inflatie hoge toppen scheert, tot gevolg hebben dat de loonontwikkeling en bijgevolg ook de loonkosten in de hand worden gehouden. Het all-inloonakkoord van de sector heeft dit grote voordeel dat het aan de werknemers een forse verhoging met een welbepaald percentage garandeert en tegelijk aan de bedrijven de zekerheid biedt dat de loonkosten niet boven het afgesproken akkoord zullen uit stijgen. Een dergelijke formule is nu in de context van loononderhandelingen onontbeerlijk geworden.

De sector heeft ook inspanningen gedaan voor de sectorale sociale lasten die de bouwbedrijven dragen bij het financieren van de sociale stelsels die eigen zijn aan de sector. Deze inspanningen bestonden onder andere uit een verlaging van de sectorale sociale bijdragen op de lonen van jonge werknemers jonger dan 25 jaar. Het forfaitariseren van een deel van de sectorale bijdragen, dat in 2004 werd uitgevoerd, heeft ook gunstige gevolgen gehad voor het beheersen van de loonkosten.


Het is ook interessant om, in de context van loonkostenbeheersing, te vermelden dat de werkgelegenheid in de bouw zich sinds 2004 bijzonder positief heeft ontwikkeld.

Kostenbeheersing en begeleidingsmaatregelen

Het beheersen van de loonkosten van de bouwbedrijven zal in de toekomst nood-zakelijk blijven als instrument voor de concurrentiekracht in een beroepsomgeving die wordt gekenmerkt door oneerlijke mededinging afkomstig van zwartwerk en door het toestromen van buitenlandse ondernemingen die voor lagere prijzen werken.

De Confederatie is zich ervan bewust dat de loonkosten voort beheersen niet kan gebeuren zonder een aantal begeleidingsmaatregelen die tegelijk zullen moeten streven naar het verhogen van de koopkracht van de werknemers en het vrijwaren van de concurrentiekracht van de ondernemingen.

In dit verband vraagt de Confederatie aan de regering om initiatieven te nemen op de volgende drie gebieden:

• Koopkracht verhogen

Structurele maatregelen die de koopkracht van de werknemers verhogen, zijn een noodzaak op middellange termijn. Het gaat om het goedkeuren van een beleid dat de netto-inkomsten van de werknemers verhoogt zonder dat de ondernemings-lasten toenemen. Een dergelijk beleid kan niet zonder een geleidelijke maar voortdurende afname van de belastingdruk op inkomsten uit arbeid en een vermindering van de sociale bijdragen van de werknemers (persoonlijk aandeel dat op dit moment is vastgesteld op 13,07%).

• Sociale lasten van de bedrijven verminderen

Het is belangrijk een beleid te voeren waarbij de sociale lasten van de ondernemin-gen worden verlaagd, dat stoelt op een billijker verdeling van de beschikbare mid-delen. Hiertoe moet men op termijn voorrang geven aan een algemene en structu-rele verlaging van de werkgeversbijdragen en de selectieve verlagingsstelsels schrappen die gebaseerd zijn op het behoren tot doelgroepen of het gebruiken van specifieke arbeidsregelingen.

De Confederatie vraagt wel dat zonder verwijl het aantal overuren dat recht geeft op belastingvermindering voor de werknemers en de bedrijven op 130 uur per jaar wordt gebracht, in plaats van de 65 uur nu.

• Arbeidsmarkt volledig openstellen

De tekorten aan geschoolde arbeidskrachten op de Belgische arbeidsmarkt zijn welbekend. De alternatieven die werden ingevoerd om het structurele tekort aan arbeidskrachten op te vangen – opleiding en scholing van jongeren, een beroep doen op uitzendarbeid, enz. – volstaan niet om aan de bedrijfsnoden te voldoen, in het bijzonder tijdens periodes waarin de economie sterk groeit.

De bedrijven moeten dan ook een beroep doen op de arbeidsmarkt van andere Europese landen. Het gedeeltelijk openstellen van de arbeidsmarkt op 1 mei 2006 voor de onderdanen van de nieuwe lidstaten van de EU om knelpuntberoepen in te vullen, was zeker een goede beslissing. Hierdoor konden immers circa 5.000 werk-nemers uit de voormalige Oostbloklanden, vooral uit Polen, worden aangeworven.

De aanwerving van werknemers afkomstig uit de nieuwe lidstaten van de EU is een oplossing die meer garanties biedt voor de werknemers dan het inschakelen van onderaanneming door buitenlandse ondernemingen wanneer deze niet verloopt volgens de correcte voorwaarden van een aannemingsovereenkomst. Het in dienst nemen van werknemers biedt ook het voordeel dat dit de Belgische staat extra sociale en fiscale inkomsten verschaft. In deze context is het aangewezen zo snel mogelijk de nog overblijvende toegangsbeperkingen op de Belgische arbeidsmarkt af te schaffen voor onderdanen uit de nieuwe lidstaten van de EU.

Voor meer informatie over dit persbericht:

Véronique Vanderbruggen
Directeur Communicatie Confederatie Bouw
T 02 545 56 26 · 0477 36 09 44
veronique.vanderbruggen@confederatiebouw.be